Een diamant is een zichtmerk op de omlijsting. De fysieke plaats en het getal dat een richtsysteem eraan geeft zijn verschillende gegevens.
De fysieke afstanden
De UMB-regel plaatst merktekens op een achtste van de speellengte. Bij 2,84 × 1,42 m is dat 35,5 cm: acht intervallen langs en vier dwars. Extra hoekmerken bepalen geen universele doorlopende nummering rondom de tafel.
Een coördinatenvoorbeeld
Neem (0, 0) in de linkeronderhoek van het speelvlak, x langs en y dwars. Halverwege de lengte en één interval omhoog ligt (142 cm, 35,5 cm); de overhoek is (284 cm, 142 cm). Dit zijn afstanden, geen Corner-5-waarden. Het balmiddelpunt blijft minstens één straal binnen de bandgrens.
Door het merk of naar de bandneus?
Het merk ligt achter de bandneus. Een lijn door het merk kan een ander contact opleveren dan de loodrechte projectie ervan. Lees de afspraak van de tekening: vertrek kan worden afgelezen door de echte richtlijn achterwaarts te verlengen; aankomst aan de neus. Verwissel die referenties niet.
Eén volledige schaal
Corner-5 onderscheidt vertrek D, eerste-banddoel F en derde-bandaankomst T: T = D − F. 5−3=2 wordt alleen hetzelfde als 50−30=20 wanneer alle drie schalen samen veranderen. Plus gebruikt een ander referentiepatroon.
Een leesoefening
Bewaar een positie en noteer coördinaten, eerste gebeurtenis en bandvolgorde. Benoem een fysiek merk en een systeemwaarde afzonderlijk. Bekijk de contacten in replay en verander alleen de richting. Zo scheid je verkeerd aflezen van een andere bandreactie, zonder belofte over leersnelheid.