Referentie van termen uit driebanden, vrije partij en carambole. Bookmark deze pagina voor snel opzoeken.
A
- Around-the-table
- Speelbal volgt een lang-kort-lang traject rond de tafelomtrek om de tweede objectbal via 3 banden te raken.
- Aramith
- Standaardmerk voor carambolballen (Super Aramith Pro).
- Acquit (afstoot)
- Openingsstoot van een partij.
- Aanstoot
- Eerste contact tussen keupomerans en speelbal.
- Achterwaartse effet
- Zie naloop / terugloop, afhankelijk van richting.
B
- Band
- Rubberen rand van de tafel waarvan ballen terugkaatsen.
- Balkline
- Caramboledisciplines (Cadre 47/2, 71/2) waar ballen binnen een vak naar de hoek gespeeld moeten worden.
- Bandstoot
- Stoot waarbij speelbal of objectbal eerst de band raakt om van richting te veranderen.
- Biljartlaken
- Stof op het tafelblad (Simonis 300/760/860).
- Bricole
- Speelbal raakt een band voordat hij een objectbal raakt.
- Brug (handhouding)
- Handhouding die de keu ondersteunt.
- Beklemde bal
- Bal vastliggend tegen band of andere bal.
C
- Carambole
- Speelbal raakt beide objectballen in één stoot — telt als 1 punt.
- Centerstoot
- Raken in het exacte midden van de speelbal — geen effet.
- Cluster
- Twee of meer ballen dicht bij elkaar.
- Combinatie
- Speelbal raakt een objectbal die een andere objectbal aandrijft.
- Cushion
- Engelse benaming voor band.
- Coup d'attaque
- Frans voor naloopstoot (volgstoot).
D
- Diamant
- Markering op de band voor systeemberekeningen.
- Diamantsysteem
- Numerieke methode voor driebandenroutes via diamantmarkeringen.
- Driebanden
- Discipline met minstens 3 banden vereist vóór tweede objectbal.
- Dubbele band
- Speelbal raakt dezelfde lange band tweemaal.
E
- Effet
- Zij-effect op speelbal — links/rechts rotatie.
- Effet binnen
- Zij-effect aan de zijde van de speelbal die naar de objectbal wijst.
- Effet buiten
- Zij-effect aan de zijde van de speelbal weg van de objectbal.
F
- Foul (fout)
- Onreglementaire stoot — verkeerde bal, geen contact, gesprongen bal.
- Five and Half
- Synoniem voor het Koreaanse diamantsysteem; verfijnt halftafel-aflezingen.
- Fractie
- Trefdikte tussen speelbal en objectbal — bv. halve bal, kwart bal.
G
- Gather shot (samenbrengstoot)
- Positiestoot die alle 3 ballen samenbrengt voor een eenvoudige volgende stoot.
- Game (partij)
- Volledige wedstrijd tot een puntentotaal (3-banden pro: 40 of 50).
H
- Halve bal
- Referentietreffpunt voor systeemstoten — middellijn speelbal lijnt met rand objectbal.
- Hoofdsnaar
- Centrale lijn die de tafel verdeelt voor breakposities.
I
- Inning (beurt)
- Beurt van een speler aan de tafel.
- Inside English
- Engelse naam voor effet binnen.
K
- Kiss
- Onbedoeld contact tussen ballen tijdens het speeltraject.
- Kort spel
- Spel waarbij ballen dicht bijeen worden gehouden.
- Korte band
- Kortere zijden (kopbanden) van de tafel.
- Koreaans systeem
- 5½ variant van het diamantsysteem.
- Keu (cue)
- Houten of composietstok om de speelbal te stoten.
L
- Lange band
- Langere zijden van de tafel.
- Libre (vrije partij)
- Variant zonder bandeneis.
- Lederen pomerans
- Lederen tip aan het uiteinde van de keu.
M
- Massé
- Stoot met verticale keu die een gekromd bantraject van de speelbal veroorzaakt.
- Miscue
- Pomerans glijdt van de speelbal — vaak door extreem effet.
N
- Naloop
- Bovenwaartse stoot — speelbal volgt na contact (follow).
- Natuurlijke hoek
- Bandhoek zonder effet.
O
- Objectbal
- Bal die geraakt moet worden (in carambole: 2 objectballen).
- Open brug
- Keu rust op een V gevormd door duim en wijsvinger.
- Outside English
- Engelse naam voor effet buiten.
P
- Paraplu
- Positie waarbij 3 ballen een paraplu vormen; lang-lang-lang traject.
- Pivot
- Systeemstoot waarbij de speelbal "draait" om een virtueel punt.
- Plus 2 systeem
- Diamantsysteemvariant die +2 toevoegt voor zachte stoten.
- Positiespel
- Plannen van de volgende stoot tijdens de huidige.
Q
- Queue
- Frans woord voor keu.
R
- Rail
- Engelse term voor band.
- Rétro / Reverse
- Tegen-effet ten opzichte van natuurlijke bandafbuiging.
- Reeks (run)
- Aaneengesloten succesvolle stoten in één beurt.
S
- Schacht
- Lang, taps toelopend voorste deel van de keu.
- Simonis
- Premium tafellakenmerk (300, 760, 860).
- Sleisteen
- Stenen draagvlak onder het laken.
- Stoot
- De handeling van het slaan van de speelbal.
- Stun
- Stopstoot — speelbal stopt op het contactpunt.
- Squirt
- Afwijking van de speelbal door effet bij impact.
- Systeemstoot
- Stoot berekend met een numeriek systeem (Diamant, Plus 2, Koreaans).
- Snookerlaken
- Andere lakentypes (sneller of trager dan carambolelaken).
T
- Terugloop
- Onderwaartse stoot — speelbal trekt na contact terug (draw).
- Throw
- Wrijvingszijdelingse kracht op objectbal tijdens contact.
- Ticky
- Positie met speelbal + objectbal vast tegen band; kort-lang-kort carambole.
- Toernooigemiddelde
- Punten-per-beurt gemiddelde over een toernooi; 1.5+ is elite.
- Top-effet
- Bovencentrum stoot (= naloop / follow).
U
- UMB
- Union Mondiale de Billard, wereldfederatie carambole.
- Umbrella
- Engelse naam voor paraplu.
V
- Vastliggend (frozen)
- Twee ballen rakend (of bal rakend aan band).
- Velocity
- Snelheid van de speelbal; sleutelparameter naast hoek en effet.
- Verzamelstoot
- Synoniem voor gather shot.
W
- Wereldkampioenschap
- UMB World Championship driebanden.
- World Cup
- UMB jaarlijkse circuit van 6-8 internationale toernooien.
Z
- Zijspin
- Synoniem voor effet — links/rechts rotatie van de speelbal.